Maar voor wie zou deze kast zijn gemaakt? Bekijk het stuk 

Dergelijke rijk uitgevoerde kasten, met een versiering die aanspoorde tot een deugdzaam leven, werden vaak vervaardigd ter gelegenheid van een huwelijk, of kort daarna, als belangrijkste stuk huisraad voor een jong echtpaar. De huizen waren in de eerste helft van de zeventiende eeuw doorgaans nog erg klein; de aangewezen plaats voor een grote kast was het voorhuis, de eerste ruimte waar men vanaf de straat binnenkwam en waar de bewoner vaak zijn zaken deed. Daar projecteerde een beeldenkast meteen een duidelijke boodschap aangaande de voorspoedigheid van de bewoners, hun smaak en voorliefde voor de regels van de klassieke bouwkunst, en hun moreel hoogstaande levenshouding. Het is echter onwaarschijnlijk dat de wapens van de steden Amsterdam en Hoorn op een echtpaar wijzen. Het ligt meer voor de hand dat de kast voor een overheidsinstelling of een andere organisatie is gemaakt die beide steden verbond. Hoorn neemt overigens een bijzondere plaats in binnen de geschiedenis van de Nederlandse beeldenkasten. Het enig bekende exemplaar dat is gemaakt als onderdeel van een vaste betimmering bevond zich in het Sint-Pietershof aldaar, een voormalig klooster dat in 1617 is verbouwd tot wooncomplex; deze kast is thans te bewonderen in het Westfries Museum in Hoorn.

Zulke kasten zullen dus zeker in Hoorn zijn gemaakt en daarnaast zal Amsterdam een belangrijk centrum voor de vervaardiging ervan zijn geweest. Bijzonder is dat de kast 1650 is gedateerd; meubelen van dit genre met een datum komen maar weinig voor. Het vroegste voorbeeld, uit 1622, bevindt zich tegenwoordig in het Metropolitan Museum of Art in New York. In 1650 had het type van de beeldenkast dus al een lange ontwikkeling doorgemaakt. De grondvorm bleef dezelfde, maar toch vertoont de kast uit 1650 allerlei vernieuwende elementen. Het fries is niet met decoratieve patronen gesneden maar met een doorlopende voorstelling van zeewezens te water – geheel passend bij de zeehaven Hoorn.

Een kast in het Rijksmuseum heeft een vergelijkbaar fries met een zee met schepen, vissen en dergelijke. Op dat meubel, dat 1659 is gedateerd, komen geen ‘beelden’ meer voor, maar gladde halfzuilen met slingers in de stijl van het Amsterdamse stadhuis, van 1648 tot 1655 gebouwd door de beroemde classicistische architect Jacob van Campen. De festoenen op de onderste laden van de kast uit 1650 verwijzen al naar diens stijl, evenals de strakke consoles met acanthusblad die het bovenblad van het meubel dragen. En dan laat diezelfde kast ook nog eens onmiskenbare elementen zien van de zogenaamde ‘kwabstijl’, een grillige, fantastische vormentaal die tot ontwikkeling was gebracht door de beroemde zilversmeden, de broers Adam en Paulus van Vianen. Op gebeeldhouwde eikenhouten meubelen zijn kwabmotieven nogal zeldzaam. De meest in het oog springende voorbeelden op de kast zijn de wapenschilden ofwel cartouches op de deuren. Zodoende is de kast een ware staalkaart van decoratieve stromingen in de eerste helft van de zeventiende eeuw: de makers hebben alles ‘uit de kast gehaald’ om er een uitzonderlijk pronkstuk van te maken